Digitale toegankelijkheid begint niet bij WCAG, maar bij eigenaarschap

 

Digitale toegankelijkheid wordt vaak benaderd als een technisch vraagstuk. Voldoet de website aan WCAG? Is er een toegankelijkheidsverklaring? Zijn de contrasten goed? Werkt de site met een toetsenbord?

Die vragen zijn belangrijk. Maar ze komen eigenlijk pas ná de eerste vraag:

Wie is eigenaar van digitale toegankelijkheid binnen de organisatie?

Want digitale toegankelijkheid gaat niet alleen over de publieke website. Het raakt websites, apps, formulieren, documenten, portalen, klantomgevingen, e-mails, leveranciers, contentprocessen en beheerafspraken. Zonder overzicht en eigenaarschap blijft toegankelijkheid al snel een projectmatige controle, terwijl de wettelijke verplichting vraagt om structurele borging.

Wat is DigiToegankelijk?

DigiToegankelijk is de Nederlandse standaard waarmee overheidsorganisaties hun websites en apps toegankelijk moeten maken. De wettelijke basis ligt in het Besluit digitale toegankelijkheid overheid en de Wet digitale overheid. Overheidsorganisaties moeten hun websites en apps toegankelijk maken en houden, én voor al die kanalen een toegankelijkheidsverklaring publiceren.

Die toegankelijkheidsverklaring is meer dan een administratief vinkje. Overheidsorganisaties leggen hiermee verantwoording af over de toegankelijkheid van hun digitale informatie en dienstverlening. Zonder verklaring voldoe je niet aan de wet.

Elke website of app krijgt een status van A tot en met E. Met status A, B of C voldoe je aan de wettelijke verplichting. Status A betekent dat een website of app toegankelijk is op basis van een volledig onderzoek zonder fouten. Status B betekent dat er wel fouten zijn gevonden, maar dat er een onderzoek en verbeterplan ligt. Status C is tijdelijk en betekent dat onderzoek of opheffing binnen zes maanden moet plaatsvinden.

WCAG: de technische basis

De toegankelijkheidseisen worden technisch uitgewerkt via EN 301 549, waarin de WCAG-richtlijnen een belangrijke rol spelen. WCAG staat voor Web Content Accessibility Guidelines en is opgebouwd rond vier principes: waarneembaar, bedienbaar, begrijpelijk en robuust. De W3C beschrijft WCAG 2.2 als een set richtlijnen met testbare succescriteria op de niveaus A, AA en AAA.

Voor Nederlandse overheidsorganisaties geldt op dit moment dat zij moeten voldoen aan DigiToegankelijk, gebaseerd op EN 301 549 en WCAG 2.1. WCAG 2.2 is door W3C gepubliceerd als nieuwe aanbevolen standaard, maar moet eerst nog in de Europese norm EN 301 549 worden opgenomen voordat dit de wettelijke verplichting voor overheden verandert.

Dat betekent niet dat organisaties WCAG 2.2 kunnen negeren. Wie nu nieuwe websites, apps of digitale diensten ontwikkelt, doet er verstandig aan om toekomstige toegankelijkheidseisen zo veel mogelijk mee te nemen. Achteraf herstellen is vrijwel altijd duurder dan vanaf het ontwerp toegankelijk bouwen.

De European Accessibility Act verbreedt het speelveld

Sinds 28 juni 2025 geldt de Europese Toegankelijkheidswet, beter bekend als de European Accessibility Act. Deze wet gaat verder dan alleen de overheid en verplicht ook aanbieders van digitale producten en diensten om toegankelijk te zijn. Denk aan websites, apps, e-books, webshops, computers, smartphones en ticket- of betaalautomaten.

Daarmee wordt digitale toegankelijkheid steeds minder een specifiek overheidsthema en steeds meer een algemene eis aan digitale producten en dienstverlening. Ook leveranciers van publieke organisaties krijgen hierdoor meer verantwoordelijkheid. Voor publieke organisaties is dat belangrijk, omdat zij in hun digitale dienstverlening sterk afhankelijk zijn van externe platforms, SaaS-oplossingen, formulierenbouwers, zaaksystemen, klantportalen en contentmanagementsystemen.

Toegankelijkheid wordt dus ook een inkoop- en leveranciersvraagstuk. Als een leverancier een ontoegankelijke module oplevert, kan de organisatie aan de voorkant misschien wel een goede website hebben, maar alsnog drempels creëren in een formulier, portaal, betaalstap, document of interactieproces.

Het gaat verder dan de publieke website

Veel organisaties beginnen terecht bij hun hoofdwebsite. Dat is zichtbaar, publiek en vaak het eerste kanaal waarop burgers, ondernemers of ketenpartners informatie zoeken.

Maar digitale toegankelijkheid stopt daar niet.

Denk bijvoorbeeld aan:

  • tijdelijke campagnesites;
  • subsites en themaplatforms;
  • digitale formulieren;
  • pdf’s en Office-documenten;
  • mobiele apps;
  • klantportalen en mijn-omgevingen;
  • intranet en medewerkersportalen;
  • e-mailtemplates en nieuwsbrieven;
  • dashboards;
  • zaaksystemen en aanvraagstraten;
  • diensten van leveranciers die onderdeel zijn van publieke dienstverlening.

De wettelijke verplichting voor overheidsorganisaties ziet op websites, apps en de content daarop. Maar vanuit inclusieve dienstverlening is de bredere vraag belangrijker: kan iedereen zelfstandig gebruikmaken van de digitale dienstverlening van de organisatie?

Een formulier dat niet met toetsenbord te bedienen is, een pdf zonder goede structuur, een app zonder schermlezerondersteuning of een portaal met onduidelijke foutmeldingen kan net zo goed leiden tot uitsluiting als een ontoegankelijke homepage.

Waarom eigenaarschap de eerste stap is

Toegankelijkheid mislukt vaak niet omdat organisaties het niet belangrijk vinden. Het mislukt omdat onduidelijk is wie waarvoor verantwoordelijk is.

De communicatieafdeling beheert de website. ICT beheert applicaties. Inkoop sluit contracten met leveranciers. Juridische zaken kijkt naar wetgeving. Functioneel beheer kent de applicatie. Contentredacteuren publiceren documenten. Projectteams lanceren tijdelijke websites. En bestuur of management krijgt uiteindelijk de vraag waarom de organisatie niet voldoet.

Zonder eigenaarschap ontstaan losse werkelijkheden.

Een toegankelijkheidsonderzoek ligt bij communicatie, maar de oplossing zit bij de leverancier. De toegankelijkheidsverklaring wordt jaarlijks bijgewerkt, maar niemand weet of alle websites en apps in beeld zijn. Een nieuwe campagnewebsite gaat live zonder toetsing. Een pdf wordt gepubliceerd zonder toegankelijke opmaak. Een portaal wordt vernieuwd zonder eisen aan WCAG of EN 301 549 in het contract.

Daarom begint digitale toegankelijkheid met een registervraag:

Welke digitale voorzieningen hebben we, wie is eigenaar, welke toegankelijkheidsstatus geldt en welke acties staan open?

Inzicht: weet eerst wat je hebt

DigiToegankelijk adviseert organisaties om te starten met een overzicht van alle websites en apps en voor elk kanaal een toegankelijkheidsverklaring te publiceren, ook als er nog geen onderzoek is gedaan of als er nog veel fouten zijn.

Dat klinkt eenvoudig, maar in de praktijk is dit precies waar veel organisaties vastlopen. Niet omdat toegankelijkheid technisch onmogelijk is, maar omdat het digitale landschap versnipperd is.

Er zijn vaak meer websites, apps, formulieren, domeinen en leveranciers dan centraal bekend is. Sommige sites zijn tijdelijk bedoeld, maar blijven jarenlang online. Sommige applicaties vallen tussen communicatie, ICT en de proceseigenaar in. En sommige leveranciersafspraken zijn niet gekoppeld aan toegankelijkheidseisen.

Zonder centraal inzicht is het bijna onmogelijk om gericht te sturen op verbetering.

Wat kan er gebeuren qua handhaving?

Digitale toegankelijkheid is niet vrijblijvend. Overheidsorganisaties zijn wettelijk verplicht om websites en apps toegankelijk te maken en te houden en hierover een toegankelijkheidsverklaring te publiceren.

De stand van zaken is bovendien publiek zichtbaar. Het Dashboard DigiToegankelijk geeft een totaalbeeld van de digitale toegankelijkheid van overheidsorganisaties en is bruikbaar voor organisaties zelf, burgers en toezichthouders.

DigiToegankelijk controleert gepubliceerde toegankelijkheidsverklaringen en geeft verbetertips. Daarmee worden organisaties geholpen om te voldoen aan de wet en klaar te zijn voor toezicht door een externe toezichthouder.

Daarnaast werkt het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan toezicht en handhaving op naleving van de wet voor digitale toegankelijkheid.

Voor publieke organisaties betekent dit dat niet-naleving meerdere gevolgen kan hebben:

een website of app krijgt een zichtbare lage status in het dashboard;

burgers, belangenorganisaties of toezichthouders kunnen tekortkomingen signaleren;

de organisatie moet verantwoorden waarom digitale dienstverlening niet toegankelijk is;

verbeteracties kunnen bestuurlijke aandacht krijgen;

er ontstaat reputatierisico, omdat ontoegankelijke dienstverlening mensen uitsluit;

bij toezicht kan worden gevraagd om onderbouwing, voortgang en aantoonbare maatregelen.

Voor producten en diensten die onder de European Accessibility Act vallen, geldt daarnaast sectorspecifiek toezicht. In Nederland kunnen meldingen over ontoegankelijke producten of diensten terechtkomen bij toezichthouders zoals RDI, ACM, AFM, het Commissariaat voor de Media, ILT en de Inspectie Justitie en Veiligheid, afhankelijk van het type product of dienst.

Van onderzoek naar structurele borging

Een toegankelijkheidsonderzoek is belangrijk, maar het is geen eindpunt. Het is een momentopname.

De praktijk verandert continu. Content wordt aangepast. Nieuwe documenten worden geplaatst. Componenten worden hergebruikt. Leveranciers voeren updates door. Formulieren veranderen. Apps krijgen nieuwe functionaliteit. Campagnesites worden gelanceerd. En portalen worden gekoppeld aan andere systemen.

Daarom moet toegankelijkheid onderdeel worden van de normale beheerprocessen.

Dat vraagt om duidelijke afspraken:

  • toegankelijkheidseisen opnemen bij inkoop en aanbesteding;
  • WCAG meenemen in ontwerp, ontwikkeling en testprocessen;
  • contentredacteuren trainen in toegankelijk publiceren;
  • pdf’s en documenten actief beheren;
  • toegankelijkheidsverklaringen actueel houden;
  • bevindingen koppelen aan eigenaren en verbeteracties;
  • periodiek controleren of websites, apps en formulieren nog voldoen;
  • leveranciers verantwoordelijk maken voor herstel en bewijsvoering.

Hoe Cilde helpt

Cilde helpt publieke organisaties om digitale toegankelijkheid niet als los project te organiseren, maar als onderdeel van digitale governance.

Met de Cilde-aanpak en KEA breng je digitale voorzieningen, eigenaarschap, leveranciers, normenkaders, onderzoeken, toegankelijkheidsverklaringen, bevindingen en verbeteracties samen in één overzicht.

Dat helpt om antwoord te geven op vragen als:

  • Welke websites, apps, formulieren en portalen hebben we?
  • Wie is eigenaar?
  • Welke voorzieningen vallen onder DigiToegankelijk, WCAG of de European Accessibility Act?
  • Welke toegankelijkheidsstatus geldt per kanaal?
  • Wanneer is het laatste onderzoek uitgevoerd?
  • Welke bevindingen staan nog open?
  • Welke leveranciers zijn verantwoordelijk voor herstel?
  • Welke verklaringen moeten worden bijgewerkt?
  • Waar ontstaan risico’s door verouderde techniek, ontbrekende documentatie of onduidelijke verantwoordelijkheid?

Zo wordt digitale toegankelijkheid geen jaarlijkse controle achteraf, maar een doorlopende werkwijze.

Conclusie

Digitale toegankelijkheid begint niet bij een WCAG-check. Het begint bij eigenaarschap en inzicht.

Zonder overzicht weet je niet welke digitale voorzieningen onder verantwoordelijkheid van de organisatie vallen. Zonder eigenaar worden bevindingen niet opgevolgd. Zonder koppeling met leveranciers, contentprocessen en beheerafspraken blijft toegankelijkheid afhankelijk van losse acties.

DigiToegankelijk, WCAG en de European Accessibility Act maken duidelijk dat digitale toegankelijkheid steeds steviger wordt verankerd in wetgeving, toezicht en publieke verantwoording.

Voor publieke organisaties is de uitdaging daarom niet alleen om de hoofdwebsite toegankelijk te maken. De echte opgave is om alle digitale dienstverlening structureel toegankelijk, beheersbaar en aantoonbaar te organiseren.

Met Cilde en KEA wordt die opgave concreet: van losse onderzoeken en verklaringen naar overzicht, eigenaarschap en continue verbetering.